Eén ei is geen ei
- “Ik voel iets.”
- “Hoe vaak?”
- “Om de zes minuten.”
- “Dan lijkt het me tijd om naar het ziekenhuis te gaan.”
Een paar maanden eerder werd er bij Sandy een gezwel geconstateerd. Eentje van het meest goedaardige soort, gelukkig. We zouden voor de tweede keer mama en papa worden, een neveneffect van onbeschermd bedplezier. Volkomen gewenst, hoor, daar niet van. We hadden er na een viertal maanden zwangerschap echter niet helemaal op gerekend dat de diagnose nog lichtjes zou worden bijgesteld.
De gynaecoloog spoot zoals gewoonlijk kwistig van die doorzichtige mayonaise op Sandy’s buik, en ging routineus met haar echoapparaat op zoek naar een hoofdje. Een beetje ontdaan liet ze het beeld plots stilstaan op twee aan elkaar rakende gebogen lijnen, en lichtte bijna ten overvloede toe wat we allen meenden te zien: “het zijn er twee”.
Had ze nu gezegd dat pakweg wielrenner Frank Vandenbroucke stopt met het maken van comebacks, het zou me op dat moment meer aangegrepen hebben. Om maar te zeggen dat de boodschap even tijd nodig had om te bezinken.
Een tweeling, dat is zoiets waarvan mensen zeggen: “dat is leuk bij een ander”, of “poeh, dan zal het wel druk worden, he?” “Neen, ik vermoed dat ik vanaf mijn luie reet in de zetel kan kijken hoe mijn kinderen hun eigen eten klaarmaken.” Ja, sorry, ik trap ze ook wel eens in, maar een open deur is een open deur.
Nu goed, een ziekenhuisbezoek drong zich na een zevenendertigtal zwangere weken op (voor de Nederlanders: in België is thuisbevallen eerder uitzonderlijk). Dat is op zich een redelijk non-event, omdat Sandy een nogal atypische weeënbeleving heeft. Samengevat: terwijl een zogenaamde monitor – een grote kubus op wielen zonder noemenswaardige monitor – via allerlei kabels zware contracties detecteert, tekent zich op Sandy’s gelaat niet de minste vertrekking af. Alsof het haar lichaam amper kan schelen dat het binnen luttele uren twee baby’s zal uitspuwen.
Dat uitspuwen geldt overigens alleen als alles volgens plan gaat, want ondertussen weten we dat we te maken hebben met een monoamniotische tweeling. Je kunt dergelijke zwangerschappen vergelijken met de comebacks van Frank Vandenbroucke: er is wel potentieel, maar je kan er beter geen geld op inzetten. Met andere woorden, het plan rammelt hier en daar enigszins.
Vlak nadat de eerste schreeuwer op natuurlijke wijze haar weg naar buiten heeft gevonden – zoiets hoeft schijnbaar maar één perswee te duren – blijkt de navelstreng van nummer twee op half zeven te hangen en ook nog eens flink in de weg te zitten. Gelukkig wemelt het in de verloskamer van geschoolde medici die de voor de baby levensbedreigende situatie bliksemsnel inschatten. In een mum van tijd ligt Sandy samen met een vroedvrouw op een transportbed. Dat klinkt misschien gezellig, zij het dat één onderarm van de verpleegkundige niet meer zichtbaar is omdat die de ongeboren baby tijdelijk op zijn plaats moet houden. Een tekening is denk ik overbodig, maar ik vermoed dat de functieomschrijving van de dame gewoon een verbastering van “wroetvrouw” is.
Het hallucinant tafereel lijkt wel een aflevering van ER. Zo eentje waarvan je zegt: “Nou, ze kunnen toch echt overdrijven hoor”. En hoewel mijn digitale camera klaarligt, kan ik er, om mijns inziens begrijpbare redenen, geen fotografisch bewijsmateriaal van voorleggen. Hoedanook, in de hierboven beschreven formatie, racet men dus het bed, omringd door geagiteerd personeel, richting operatiezaal. Het lijkt een beetje op de aanloop bij het bobsleeën, alleen dan dat men na de aanloop niet met zijn allen op het bed springt.
In de nu bijna lege verloskamer kijk ik het schouwspel wat wezenloos na, terwijl ik eindelijk een plekje vind waar ik mijn schaar veilig kan neerleggen. Die heb ik nog steeds vast na het doorknippen van de eerste navelstreng. Half opgelucht hoor ik achter mij babygekrijs. Catho laat alvast weten dat zij klaar is voor de wereld.
Ondertussen tikken kostbare seconden voor Febe weg. Verpleegkundigen stormen door de gangen, en bevelen argeloze bezoekers de liften vrij te maken. Op de operatietafel plant de gynaecoloog haar scalpel in Sandy’s buik, nog voordat de anesthesie zijn werk volledig heeft gedaan. De wroetvrouw moet het niet alleen ontgelden met een stamp, even vreest ze dat met al het snijwerk haar hand niet gespaard zal worden.
Niet veel later tovert men Febe tevoorschijn uit een bloederige buikwand. Ze is in nood, maar men heeft nog geen idee hoe zwaar. Ook nu cirkelt er in geen tijd een deskundig medisch team rond de patiënt.
Omdat de baby voor observatie naar een gespecialiseerd ziekenhuis getransporteerd zal worden, ontbiedt men mij uitzonderlijk in de operatiezaal. Ik krijg een groene schort voorgebonden en witte stoffen zakken rond mijn zwarte legerlaarzen. Mijn voorkomen doet vermoedelijk meer aan een slagerij dan aan een medische omgeving denken. Al is de vraag of die dan verschillend zijn.
In een hoekje van de operatiekamer sta ik onzeker te wezen. Op de smalle operatietafel op de achtergrond ontwaakt Sandy langzaam uit de narcose. Ze hoest door de intubatie en haar wellicht nog slapende been zwaait plots van de tafel. Een verpleger ziet het net op tijd en legt het snel terug.
Op de voorgrond roepen een aantal witte jassen allerlei waarden die ze van de monitors – échte deze keer – aflezen. In de couveuse tussen hen in, kan ik nog net mijn tweede dochter ontwaren. Enfin, technisch gezien is het ondertussen mijn derde dochter. Ook zij is het niet eens met de intubatie een begint die er op eigen kracht uit te slaan. Een heel goed teken laat ik mij achteraf wijsmaken.
Omdat ik het team zeker niet wil lastigvallen tijdens het redden van mijn kind, probeer ik aan hun gezicht en stemtimbre de situatie af te lezen. Die lijkt onder controle, iets wat men mij later opgelucht kan bevestigen.
Het duurt daarna nog twee lange dagen voordat we volledig herenigd zijn, maar niet zonder trots kondig ik alsnog officieel aan:
Catho en Febe Kalders
14 januari 2008
Vlinder
Opdat er toch iemand Kyoto een beetje zou respecteren, maak ik tegenwoordig veelvuldig gebruik van het openbaar vervoer. En eigenlijk ook gewoon omdat een tweede auto te duur, op mijn werk geen parkeerplaats en mijn fiets in permanente herstelling is. Maar goed, ik heb mijzelf wijsgemaakt dat het best wel meevalt met mijn CO2-uitstoot, edoch dat compenseer ik waarschijnlijk ruimschoots met het occasioneel loszn van grote hoeveelheden butaangas. Hebt u wel eens gehoor moeten geven aan zo'n oproep van de politie om ramen en deuren gesloten te houden? Dat was mijn schuld.
Zou dat trouwens geen gat in de markt zijn? Een apparaat waarmee je je eigen scheten naar energie kunt omzetten? Ik denk dat ik maar vast patent ga aanvragen.
Zoals ik dus vaker alhier heb aangegeven, bevind ik mij met de regelmaat van de klok in een lijnbus, bij voorkeur op de achterste bank. "Waarom?", hoor ik de lezer terecht denken. Bij wijze van spreken dan, want gedachten kun je niet horen. Tenzij je hardop denkt. Echter, ik dwaal wederom af.
"Waarom?" dus. Wel, aangezien ik opstap aan het vertrekpunt, heb ik sowieso de keuzevrijheid qua zetelverdeling. Ik kan ergen vooraan gaan zitten, in het midden of desgewenst volledig achteraan. Merk echter op dat, naarmate de bus zijn reisweg vervolgt, de plaatsen schaarser worden, en de keuze beperkter. Bovendien neemt de kans voor elke passagier op de bus exponentieel toe dat hij of zij een zetel moet delen met een andere persoon. Dat betekent met twee tegen elkaar gepropt, waarbij beiden hun intieme buffer moeten opgeven.
Nu, hoe dieper in de bus - lees: meer achteraan, mocht u zich afvragen wat ik daar op de bodem doe - hoe kleiner de kans dat iemand de moeite neemt om daar te checken of er nog vrije plaatsen zijn. Zodoende slaag ik er meestal in mijn intieme buffer te vrijwaren, gewoon door achterin plaats te nemen.
Daar staat jammer genoeg wel tegenover dat de meeste jeugd volgens mij dezelfde modus operandi hanteert. Meer dan eens word ik zodoende met schallende gadgets van jong grut geconfronteerd die ik, ooit jong geweest zijnde, uiteraard gedwee gedoog. De laatste Timbaland of de nieuwe van Justin Timberlake, ik neurie ze feilloos na.
Als zeer late twintiger (denk in termen van maanden) verzucht je al eens graag dat de jeugd van tegenwoordig toch geen respect meer heeft voor de medemens. Tegen dat soort platitude tracht ik mij echter met wisselend succes te verzetten. Zo reidse er van de week een jongeheer mee, vermoedelijk van Marokkaanse origine. En ik dacht voor een keer niet bij mezelf: zometeen haalt hij zijn MP3-speler boven. Wat hij prompt ook niet deed.
Wel toverde hij een doosje tevoorschijn ter zelfder grootte, en begon luid - je bent een stereotype voor iets - tegen zijn vrienden te pochen over wat hij zichzelf cadeau had gedaan. Om de nodige aandacht daarop te vestigen, alsook zijn eigenwaarde wat bij te polijsten, liet hij hun naar de inhoud raden.
Niemand poogde echt met volle overgave, wat de kerel deed besluiten niet te wachten op het juiste antwoord. En onderwijl ik quasi ongeïnteresseerd wegkeek, mijn aandacht uiteraard alsnog spitsend op het geanimeerde tafereel, hoorde ik plots naast me het koele getik van metaal tegen metaal. Vanuit mijn ooghoek flitste weerkaatst zonlicht heen en weer. De vermeende Marrokaan zat blijkbaar vrolijk met zijn gloednieuwe vlindermes te zwaaien, midden in een overvolle bus. "De politie heeft mijn vorige afgepakt", voegde hij niet zonder enige trots toe. "Vast niet omdat je er brood mee kan smeren", riposteerde ik inwendig. Niet hardop, want mensen met messen maak je best niet per ongeluk boos.
Ik kan niet ontkennen dat ik me lichtelijk ongemakkelijk voelde, al was het maar omdat het vrolijk jonglerend sujet mijn enige vluchtweg blokkeerde. Evenwel, u leest dit, dus ik ben er niet ingebleven. Volgende keer toch maar wat strategischer gaan zitten.
Verkiezingen
Ik weet dat ik de lezers van deze blog de laatste tijd misschien een beetje teleurstel. Mijn voorgenomen gemiddelde van 1 blog entry per week wordt nog ternauwernood gehaald. Maar bekijk het ook eens langs de andere kant (de achterkant?). Kwaliteit primeert bij mij nog steeds op kwantiteit. Voor wat het waard is natuurlijk, want ook kwaliteit is relatief. Edoch, laat ik eens beginnen met mijn punt te maken.
Ik zou graag gebruik maken van de intrinsieke interactiviteit van het internet. Niet alleen omdat het mijn professioneel werkgebied is, maar ook omdat ik gewoon lui ben. Ik ben namelijk op zoek naar de leukste stukjes die ik ooit geschreven heb. U mag dat ook interpreteren als: de minst slechte stukjes, afhankelijk van hoe u het niveau inschat. Zijn er stukjes die u nog altijd zijn bijgebleven, al was het maar vanwege het schabouwelijk taalgebruik, dan staat het u vrij dat hier te laten weten.
Op het gevaar af pijnlijk duidelijk te maken hoeveel mensen hier meelezen: barst maar los!
Rambo
Voor ouders van jonge kinderen is het volgens mij puur een kwestie van tijd voordat de onvermijdelijke vraag valt: "Mama, mogen wij een poesje?" En dan kijken ze je aan met exact dezelfde blik als van zo'n pasgeboren katbeest.
Je kan je trouwens afvragen waarom katten niet eerst irritant, en dan pas schattig zijn. De verklaring ligt nogal voordehand: men zou de kittens aan de straatstenen niet kwijtkunnen. Daarom heeft de natuur ervoor gezorgd dat jonge dieren toch o zo onweerstaanbaar schattig zijn. En dat effect werkt bij vrouwen nog eens dubbel zo hard door. Zal wel iets met het moederinstinct te maken hebben.
Ik herinner me nog heel goed hoe mijn zus - ze moet tien jaar ofzo geweest zijn - de onafwendbare vraag stelde. De poes van een klasgenootje had geworpen en nu moesten die krengen natuurlijk weg. Het verzoek werd doelbewust eerst aan moeder voorgelegd, maar in een democratisch gezin als het onze moesten wel alle partijen akkoord gaan.
Zeggen dat mijn vader een redelijk man is, is zeggen dat de paus katholiek is, maar een kat, dat was op zijn zachtst gezegd geen evidente keuze. Tot op de dag van vandaag heb ik het raden naar hoe mijn zus en mijn moeder hem hebben kunnen overhalen. De deal ging weliswaar onder strikte voorwaarden gebukt: "Denk eraan: je moet er zelf voor zorgen, he!" Nu goed, dat is volgens mij gewoon een standaardfrase waarmee compromissen in dit genre worden beklonken. Het geeft beide partijen het gevoel dat ze iets uit de brand hebben gesleept, want je kind leert zo toch verantwoordelijkheid te dragen. Niet? In werkelijkheid is er maar één winnaar, en dat is het poesje.
Tijdens onze kinderjaren passeerden er zo nog enkele katten de revue, maar ik geloof niet dat er één ouder dan vijf jaar werd. Niet dat ze zo slecht verzorgd werden, maar omdat ze waarschijnlijk nogal onvoorzichtig de straat overstaken.
Op één uitzondering na: Rambo, de rooie kater. De enige kat die ooit is komen aanlopen. Hij had wat meer spleetoogjes dan normaal, en gecombineerd met zijn, laten we het alternatief gedrag noemen, verdacht ik hem wel eens van mongolisme, als zoiets al kan in de dierenwereld.
Rambo kon je aankijken als een personage van Little Britain, met een blik die je doorgaans associeert met nul procent hersenactiviteit. Ik heb dan ook altijd beweerd dat het beest te dom was om onder een auto te lopen. Getuige daarvan zijn suïcidale geplogenheid om midden op straat te gaan zitten, op een driesprong nota bene.
Naarmate Rambo opgroeide, werd hij een neuroot van het ergste soort. Hij moet op zijn minst aan OCD (obsessief-compulsieve stoornis) geleden hebben, zoals hij dwangmatig langs de voordeur naar buiten ging om een halve minuut later langs de achterdeur weer naar binnen te glippen. Dit ritueel ging gepaard met het nodige gemiauw, bij wijze van oproep om de deur te openen, en kon zich ettelijke keren per dag herhalen. Het hoeft geen betoog dat de toch al niet zo weelderige begroeiing op mijn vaders hoofd daar niet echt wel bij voer.
De jaren gleden voorbij en de kinderen verlieten het ouderlijk huis. Maar Rambo, die bleef. Voorlopig dan toch, want mijn vader werd ondertussen even neurotisch als de kat. Vijftig procent van zijn tijd bracht de man immers door met het openen en dichtdoen van deuren.
Om preventief een zenuwinzinking te bezweren, werd besloten dat de rode kater moest verhuizen. Terug naar mijn zus. In poezentermen was onze OCD-er al bejaard. Niemand had destijds echter durven bevroeden dat dat lieve katje zó lang zou meegaan. Aldus reïntegreerde Rambo op zijn grijze leeftijd in een nieuw gezin waarin hij niet veel tijd nodig had om de deurroutine verder te zetten. Al zou je het ondertussen aan Alzheimer kunnen wijten: "Hmm... ben ik net niet al buiten geweest?"
Enige tijd terug stopte onze dwangneuroot met eten en begon hij er wat ziekjes uit te zien. Het bleek de aankondiging van het onontkoombare. Plots was er in geen velden of wegen een Rambo meer te bespeuren. Ik weet haast zeker dat mijn zus er minstens één traan om gelaten heeft. Ik niet, maar ik ben dan ook een specialist in het verbergen van mijn gevoelens.
Het is nu alleen nog bang afwachten tot de geschiedenis zich herhaalt en Sterre op een dag naar mij toekomt en met van die zielige ogen vraagt: "Papa, mogen wij een poesje?"
Ik heb getwijfeld over België
Nostalgie is als het knuffelbeest dat je weg moet doen omdat je te oud wordt. In je herinnering ziet het gerafelde pluche met één oog er nog steeds gloednieuw uit en zo vergaat het ook de nostalgie. Want, en ik heb het nog al gezegd, vroeger was alles beter, mooier en leuker.
Zo was ooit het Belgische nationale elftal gewaagd aan wereldploegen als daar waren Engeland of - bibber - Duitsland. Ja, Der Überfeind, die trouwens op sportief vlak wel alsnog hun gram konden halen, waar ze hen dat eerder niet lukte op territoriaal vlak. Maar daar ging het niet over.
In plaats van te wachten op het nieuws dat de Belgen weer ergens een voorronde niet haalden, greep je toentertijd een zak chips beet om daadwerkelijk voor de buis de wedstrijden uit te kijken. In mijn herinnering supporterden er zelfs huisvrouwen, doch dat rozekleurige beeld kan ook lichtelijk nostalgisch getint zijn met de borstel des tijds.
Wereldkampioen zijn we nooit geworden en voor de enige eerste plaats ooit moet je in het geschiedenisboek terugbladeren naar de Olympische Spelen van 1920 - was het misschien toeval dat we die zelf organiseerden? Hoedanook, de gouden generatie van vóór de millenniumwissel telt heden waarschijnlijk zijn centen in Monaco, terwijl de jonge honden hopeloos kwalificatie na kwalificatie vakkundig de nek omwringen. Sterker nog: de live tv-beelden van nationale wedstrijden krijgt men aan de straatstenen niet meer kwijt. Exit rex pila pes (ja, ik heb het ook moeten opzoeken, en nee, het klopt waarschijnlijk niet).
Het moet in ongeveer dezelfde glorieperiode zijn geweest dat België op verpletterende wijze het Eurovisiesongfestival won met het net uit de luiers gegroeide - lees 13 jaar oude - zangeresje Sandra Kim. Het was een era waarin je je nog kon vastklampen aan de zekerheid dat je van de Azerbeidzjaanse inzending geen letter zou verstaan. Als ze al meededen, want het is dit jaar pas hun eerste keer.
Nu zullen we echter nooit weten hoe een Azerbeidjaanse draak klinkt die in het Engels gaat van: "If you're searching for resolves, be ready for the tolls". Geef nu zelf toe, deze nieuwkomers hebben zich toch razendsnel aan het algemeen geldende niveau geassimileerd? Dat soort Europese integratie kunnen we natuurlijk alleen maar aanmoedigen.
En België tracht vrolijk mee te integreren. Tracht, aangezien in de afgelopen 15 jaar het ons al driemaal gelukt is zo laag te scoren, dat we een editie moesten overslaan. Wat op zich natuurlijk ook als een prestatie gezien mag worden. Hoe lovenswaardig is een andere vraag.
Wie meende dat we onmogelijk overal slecht in konden zijn, en ten einde raad zijn hoop had gevestigd op de Belgische tennistrotsen, zag eerst Kim Clijster en, iets recenter, Justine Henin afhaken. Exit rex pila mina (nee, ik weet ook niet wat Tennis in het Latijn is).
Een gematigd nationalist zou voor minder misantroop worden. Kan mij iemand alsjeblieft vertellen waar er nog ergens een Belg in excelleert? Het wereldrecord neuspeuteren niet meegeteld?
Verliespost
Belastingteruggave. Het is een beetje alsof een Poolse inbrekersbende die eerder je huis leegroofde, met geveinsde spijt je tv-toestel komt terugbrengen. Nooit genoeg, altijd te laat, zeg maar. Saillant detail is dat je ook altijd expliciet de mogelijkheid krijgt bezwaar aan te tekenen. Dat gaat allicht ongeveer als volgt: "Neem mijnheer, ik vind niet dat ik recht heb op dat geld. Nee, geef het maar aan Laurent ofzo. Ja, die tweederangsprins zonder dotatie." Het komt me voor dat er vrij weinig gebruik wordt gemaakt van die optie.
Nu goed, dat neemt allemaal niet weg dat dergelijke aanslag heerlijk wegleest: "Het bedrag van de aanslag in uw voordeel is ... " het sleutelwoord is "voordeel". Ik herhaal het nog even omdat het zo goed voelt in deze context: uw voordeel. En het houdt niet op: "Dit bedrag wordt in principe eind april overgeschreven op rekeningnummer XXX-YYY" Ok, eind april... even checken, we zijn al in mei, dus ... De veruitwendigde vloek die ik slaak, bespaar ik u, maar mijn kinderen zal ik verbieden zo verbaal te keer te gaan. Ruim na de bezwaartermijn blijkt dus dat rekeningnummer XXX-YYY niet klopt. Mogelijk begrijpt u aan de hand van dit incident waarom ik een gloedhekel heb aan administratie in al zijn verschijningsvormen.
Echter, geen man overboord. Een beleefde brief richting ontvangskantoor kan wonderen doen. Een gefrankeerde brief liefst; kwestie van mogelijk aanwezige goede wil niet zomaar te verkwanselen. En aangezien er in het lokale postkantoor toch al geduldig een aangetekende pakket op mij ligt te wachten, besluit ik het ... euh ... nuttige aan het nuttige te koppelen. "Aangenaam" beschouw ik immers een gezapige wandeling op een zomerse zondagmiddag. Daar houdt de definitie wat mij betreft ongeveer op.
Aldus snel ik op zaterdagochtend rond openingstijd het plaatselijke postkantoor binnen. Ik sta al bijna bij de balie, portefeuille in de hand, om mijn postzegels te bestellen, als de metalen vrouw vanachter het glas klinkt: "U moet eerst een nummertje nemen". Voor de zekerheid kijk ik even door mijn eigen spiegeling heen: vermoedelijk zit er aan de andere kant wel degelijk een vrouw van vlees en bloed, zij het dat men vanwege de goedkope microfoon en luidspreker anders zou kunnen presumeren. De dame wordt vakkundig en hermetisch van het cliënteel gescheiden middels een grote glazen wand. Voor wiens veiligheid weet ik eigenlijk niet precies.
Ik kijk schichtig om mij heen en zet het een beetje verbouwereerd voor mezelf op een rijtje. Nummertje. Ik ben de enige klant. Er zijn twee bemande loketten open. Ik moet een nummertje nemen. Onwillekeurig moet ik aan die cartoon denken van een man zonder benen die bij Gevonden Voorwerpen dient aan te tonen dat het wel degelijk zijn benen zijn die daar op het rek liggen. De dictatuur van de administratie alweer.
Ik speur naar iets wat waarschijnlijk op een zuil zal lijken en wat bij nader inzien een soortement bijzonder onstrategisch naast de ingang opgestelde metalen lessenaar is. Het moet vast een goed idee geleken hebben op papier, maar het nummertjesapparaat blinkt niet uit in zelfmanifestatie. Vandaar dus dat de ijzeren dame mij erop moet attenderen. En er is nog wel meer mis met de vormgeving van het hele concept, want voor de broodnodige verduidelijking heeft met met alcoholstift op een papiertje de instructie "hier nummer nemen" moeten krabbelen. Twee dikke pijlen wijzen naar wat onbestemde ornamenten. De funtie hiervan snap ik pas als ik al enige tijd tevergeefs naar drukknoppen heb gezocht. Daar wijzen die pijlen dus naar. Ik leg mijn wijsvinger op een, dacht ik, zuiver decoratieve zwarte plek, en ja hoor, er rolt een papiertje uit het apparaat: 4. Bijna was ik bang dat ik hier de nacht zou moeten doorbrengen voordat ik kon gaan aanschuiven.
Terwijl ik aanstalten maak om alweer overmoedig richting loket te stormen, neemt de ambtenarenlogica het net op tijd van mij over. Ik houd halt, kijk omhoog naar een beeldscherm, en zie dat men nog maar aan klant 3 zit. Dat de betreffende persoon het pand reeds enige tijd verlaten heeft, deert de elecronica niet. Het gaat erom dat de volgende klant netjes aanschuift in de virtuele rij. Een muziekje. Het beeldscherm flikkert even: 4. Hoera, mijn beurt.
Ik zwaai met een pak enveloppen dat ik wil kopen. Of ik het even met de streepjescode tegen het raam wil houden? Geen probleem. Ik overweeg ook om mijn open mond tegen het raam te plakken en het resulterende vacuüm op te blazen. Mocht u niet weten welk een hilarisch effect dit geeft, probeer het thuis maar eens voor uw kinderen. Maar omdat ik niet zeker weet of de overkant vatbaar is voor dat soort geintjes, houd ik de lippen stijf op elkaar. Ondertussen schiet de handscanner door het glas infrarood van links naar rechts, boven naar onder, achter naar voor. Er wordt niets zwaar geraakt want het apparaat vertikt het verlossend te piepen. Dat krijg je ervan, als je concepten gaat mixen zoals een supermarkt en een bankkantoor.
Ach ja, binnenkort wordt de postmarkt opengegooid ten behoeve van de concurrentie. Het zal er dan waarschijnlijk om gaan draaien hoe snel je een nummer bent en hoe snel je wordt gescand. Tot dan zal ik wel netje in een virtuele rij aanschuiven en geduldig wachten op de piep.
Allons, Wallons!
Vrijdag, het doodgeboren broertje van de doorsnee werkdag. De zon doet haasje-over met de wolken en tussen de buien door is het aangenaam warm. Horden toeristen bestormen de stad. Velen waarschijnlijk dankzij de extra vrije dag die ze kregen. Dat komt ervan, als de Heer ten hemel vaart op de dag van de arbeid.
Het blijft mij trouwens een raadsel hoe iemand er ooit in bestaan heeft dat socialistisch gebeuren volledig antipodisch te benoemen. Ik bedoel: het is vandaag redelijk moeilijk een arbeidende mens te vinden. Behalve in Nederland, alwaar men deze communistische hoogdag wél naar de letter invult, allochtoon of niet. Gelukkig maar, want dat betekent, behalve dat ik present ben, dat ook de kebabkraam met de wisselvallige openingsuren bemand is.
Terwijl ik in volle zon sta aan te schuiven, ontwaar ik in een ooghoek een kleine Renault die redelijk ongelukkig geparkeerd staat. Het rode karretje bevindt zich schuin in een parkeervak, snuit half op het voetgangersgedeelte, linkerachterband op de stoeprand. Ik maak onwillekeurig de vooringenomen bedenking dat hier alleen maar een vrouw of een oud mannetje voor verantwoordelijk kan zijn, maar roep mezelf meteen tot de orde. Ik laat me namelijk niet graag voorstaan op dergelijke vooroordelen.
Dan komt er achter de wagen vandaan een oude kerel gehinkt. Met een reserveband. Ik zie ineens dat zijn linkervoorband het met een diepe zucht begeven heeft. De eigenaar haalt één voor één de benodigde attributen voor een wissel uit zijn wagen. Het vlot echter niet zo, want niet alleen krijgt hij maar één item tegelijk getild, hij moet constant om de volgestouwde auto heen waggelen om de spullen van de achterbank of uit de koffer te halen.
"Alstublieft mineer", hoor ik de Turkse kraamvrouw voor mij plots zeggen, "dat ies dan 3 ojro 50". Ik zie nu dat de wachtrij rond mij het geanimeerde tafereel ook is aan het gadeslaan, maar het lijkt er niet op dat iemand van plan is hulp te gaan bieden. Als ik terugkrijg op mijn briefje van 50 - "hebt oe niets kleiners?" - besluit ik daar iets aan te doen. Tegen het tentoongespreide tempo, zal de oude man immers de nacht hier moeten doorbrengen voordat zijn band gewisseld is.
"Dag mijnheer, kan ik u helpen?" Bij wijze van respons kijk ik aan tegen een kartonnen gelaat dat gebaart van krommenaas. Ik herhaal daarom iets harder en duidelijker gearticuleerd: "Of ik u misschien kan helpen?" De stoppelbaard, waar naar vermoeden wel eens stukjes gedroogd eten in huisvesten, trappelt ter plaatse maar toont geen teken van begrip.
Ik monster de witte nummerplaat met rode letters en gok: "Est-ce que je peux vous aider?". En ja hoor, er komt een "Oui, merci" terug. Ben ik even blij dat de kerel niet uit Eupen komt - voor de aardrijkskundebarbaren: dat is het Duitstalig stukje België dat we als doekje voor het bloeden kregen na geleden oorlogsleed. Oorlogsleed dat de man ongetwijfeld actief heeft meegemaakt.
Gelukkig weet mijn slachtoffer niet dat ik nog nooit van mijn leven een band heb moeten wisselen, dat ik geen steunpunt voor een krik kan lokaliseren en dat ik nog niet lang het verschil tussen een siervelg en een wieldeksel ken. Ik blijf er daarom eigenlijk vooral bijstaan ter morele ondersteuning, een beetje happend aan mijn kebab. En dat is niet erg, want de 78-jarige man (!) is, hoewel wat traag in zijn fysiek, van het kranige type.
Hij schuift de inbussleutel over een schroef en gebaart dat ik mag stampen. Die handeling vereist tamelijk weinig technische kennis, en ik ben er nog redelijk bedreven in ook. Aldus stamp ik één voor één de schroeven los. Bijna word ik euforisch van de snelle progressie die ik boek. Als het altijd zo makkelijk gaat, verwissel ik, vingers in de neus, twintig banden per uur. Edoch laat ik de overmoed bewaren voor na de feiten.
Dan verdwijnt de krik onder het voertuig en slingert de Luikenaar - dat heeft hij me ondertussen verteld, of dat meen ik toch verstaan te hebben - de wagen eigenhandig de lucht in. Bij elke draai aan het apparaat, deint het gevaarte wat harder heen en weer. Onderwijl het voorwiel steeds losser aan de vering bengelt, hou ik angstvallig de linkerachterband in de gaten. Die balanceert als een ware cliffhanger op de stoeprand. Eén verkeerde schok, en de auto dondert naar beneden, in het slechtste geval pardoes op de armen van de man. Tot mijn opluchting volgt er uiteindelijk een geruststellend "voila".
Met behulp van kennis die ik heb opgedaan in boeken en op internet, schroef ik het wiel los en duw ik de reserveband in de plaats. Even later gaat de krik gaat terug omlaag en ruimen we samen de boel op. Bij wijze van dank biedt de man mij een biertje aan, maar omdat het kebabkraampje alcoholloos is, moet ik het met een cola stellen. We nemen gemoedelijk plaats op het stadsbankje waarvan de zitvlakken zijn afgebakend met irritant ijzerwerk, ik vermoed tegen slapende junks.
Ziezo, ware ik een scout, ik had vandaag waarschijnlijk een insigne verdiend. Immers, de eerste autoband die ik van mijn leven verwissel, is er nota bene één van een Waal, die daar ook nog eens een biertje voor veil heeft. Steek dat maar in jullie zak, heren politici met jullie communautair gekrakeel!
Einde?
Wat is het geluid van één klappende hand? Als een boom valt in het woud, en er is niemand om hem te horen, maakt hij dan een geluid? Het zijn zogenaamde "koans" waarmee de boeddhisten elkaar geweldloos om de oren slaan. Verlichting zaaien, zeg maar. Ik heb echter doorgaans andere stimuli nodig om in zen-toestand te raken, wat niet wegneemt dat ik graag gelijksoortige raadseltjes mag verzinnen. Noem het entertainment met een hoger doel.
Bijvoorbeeld: hoe ziet het einde van een vleeswarenfilm eruit? Ik bedoel dan het soort vleeswaren van de slagerij waar Dennis 'Black Magic' Burkas, dan wel Eddy Lipstick u vanachter de toog grijnzend de aanbiedingen toont. U weet wel, die slagerij waar niemand zijn vlees haalt, maar waarvan iedereen wel toevallig nog wat slachtafval heeft liggen.
De vraag is dus hoe het einde van zo'n uit de hand gelopen naturistendocumentaire eruit ziet. Er wordt menigvuldig wat lacherig over gedaan, maar achter dergelijke rolprenten zit vaak wel degelijk een verhaal. Let op, ik zei niet: degelijk verhaal, want, toegegeven, het is bijwijlen flinterdun en met een pincet nauwelijks beet te pakken, maar niettemin: een verhaal. Zonder enige opbouw zou het namelijk zijn alsof James Bond in de eerste minuut de slechterik al te grazen neemt, wat natuurlijk nooit de bedoeling kan zijn. Dat is mijns inziens ook de reden waarom de filmische naaktindustrie zwaar geleden heeft onder de recente scenaristenstakingen in Hollywood.
Doch ik dwaal af. Hoe zie dat einde nu eruit? U kan mij nu tegenwerpen: waarom stel ik mij die vraag? Wel, het doel van zulkdanige cinema is toch vooral het inlossen van een nijpende nood. En wanneer dan die primaire behoefte vergenoegd is, devalueren de prikkelende beelden op slag tot een waardeloos stukje huidkleurige film, het uitkijken niet waard. Aldus kan men zich legitiem afvragen of iemand ooit zo'n prent heeft uitgezeten.
Ter illustratie: een kunstenaar verstopt zijn kostbaarste creaties niet in een bestofte hoek achterin zijn galerie. Neen, in die hoek belandt het overschot. De misbaksels. Het puin van de arbeid. Dat waar niemand oog voor heeft. Welnu, die groezelige plek, dat is het einde van die film.
Ik zal u mijn theorie uit de doeken doen. Er is helemaal geen einde, maar een groot zwart gat waar de tijd geen vat op heeft. En dan bedoel ik niet dat van Tina Turner. Neen, wie tot het gaatje van de DVD kijkt, belandt in een tijdsvacuüm. Een parallelle dimensie die alleen geopenbaard wordt aan hen die voldoende lef aan de dag leggen. Een hoedanigheid die de sleutel is tot het tijdreizen, maar waaruit een terugkeer onzeker is. Daarom lopen er op aarde ook nauwelijks ervaringsdeskundigen rond.
Vroeger bracht men wel eens gewone films zonder slot uit, maar omdat de techniek zo gevaarlijk is, heeft men de pornofilm uitgevonden. Om te voorkomen dat argeloze mensen er zomaar mee zouden spelen. Met dat tijdsvacuüm bedoel ik. Geniaal toch? Hou het evenwel alstublieft stil, want het laatste wat ik wens, is een inval van de Geheime Dienst.
En als u mij nu wilt excuseren, ik heb nog wat wetenschappelijk veldonderzoek te doen.
Functioneel halfnaakt
Zwemmen, je kan het niet vroeg genoeg leren. Al kom je met je navelstreng snorkelend door het vruchtwater ter wereld, veel verder dan wat bodemknuffelen geraak je niet in je eerste levensjaren. Dat is ook de trendwatchers niet ontgaan. Aldus lanceerden zij het immens populaire watergewenning voor baby's. Stel u voor: 1 zwembad, een tiental vaders en/of moeders plus evenveel uks en tenslotte een instructeur of instructrice.
Ik weet dat allemaal uiteraard niet omdat ik de Flair lees. Ik bedoel niet dat ik de Flair niet lees. Of zou lezen, want we hebben die non-literatuur niet in huis. Mocht onze leesportefeuille echter dergelijk abonnement behelzen, het blad zou nooit de aangename sensatie van mijn warme, bladerende vingers mogen ervaren. Het zou sterven op de salontafel als een gedeformeerde vlinder die met gespreide vleugels rechstreeks uit zijn cocon op de grond dondert. Zulk lot zou dat tijdschrift hier dus beschoren zijn.
Behalve dan die strip achterin, natuurlijk. Of dat ene artikel waarin vrouwen uitleggen wat ze fijn vinden in bed. En misschien ook nog die fotoreeks van lezeressen over hun blote borsten. Maar meer ook niet. Denk ik.
Nu goed, mijn kennis over watergewenning heb ik dus niet uit de gespecialiseerde pers, maar uit eerste hand. Wekelijks staat deze voorbeeldige vader namelijk zijn dochter in het kabbelende water te soppen. Of langs de kant te kijken hoe zijn vrouw dat doet. Omdat het geen optie is dat soort sleutelmomenten in het leven van je kind te missen, ben je namelijk voor de zekerheid in tweevoud aanwezig.
Maar omdat we hier spreken over een stedelijk zwembad met bijbehorende ambtelijke regelgeving, wordt die dubbele interesse niet gefaciliteerd. Dat zou namelijk betekenen dat men rekening moet houden met de klant in plaats van de eigen administratie. Terwijl dus één partner zich via het watergewenningsloket toegang mag verschaffen tot de aquafaciliteiten, dient nummer twee nog een paar minuten voor een gesloten loket te duimendraaien. Gesloten is misschien een te sterk adjectief. Laten we het erop houden dat er weliswaar een ambtenaar achter het glas, nuja, beweegt, maar dat die het raampje niet opzij mag schuiven voordat het zwembad publiek toegankelijk is. Mocht iedereen zijn ambt zo plichtsbewust vervullen, het Bruto Nationaal Product zou terstond verdubbelen.
Er bestaat echter ook zoiets als je job te serieus nemen. Zo las ik deze week bijvoorbeeld over een Engelse voormalig ingenieur met een passie voor tunnels. Ik gis dat de arme man die hartstocht niet echt kwijt kon in zijn job. "Houden de Engelslui dan niet zo van tunnels?" is de eerste vraag die daarbij in mij opkomt. Hoedanook, de stakker had er niet beter op gevonden dan 40 jaar lang handmatig zijn eigen woonst te ondertunnelen. In zo'n geval kun je veilig stellen dat de passie voor de stiel redelijk ongezonde proporties aanneemt.
Wat er ook van zij, dat raampje schuift alsnog opzij zodat ook de partners de badruimte in kunnen stromen. Tot er plots een overijverige zweminstructeur opduikt. Druk gesticulerend probeert hij de watergewenningwatchers iets duidelijk te maken. Ik waad wat dichterbij door het ondiepe water, Sterre op de arm. "Jullie mogen hier zo helemaal niet binnen," vang ik op. Ik sla de handvol luisteraars gade, en bespeur geen extreem vreemde klederdracht, noch ruik ik iemands buitensporige lichaamsgeur of zo. "Wie hier binnen komt, moet badkledij aandoen!" Ik probeer nog te opperen dat mijn vrouw wel gewoon entree betaalt om vervolgens niet te komen zwemmen. De man is categoriek: "Ben jij ooit in een zwembad geweest waar ze gewone kledij toelaten?" Die vraag is minder rethorisch dan gehoopt, doch op het gevaar af betweterig over te komen, laat ik de man in zijn waarde.
Het ligt de kerel duidelijk zwaar op de maag, maar hij zal het door de vingers zien, tenzij één van de redders er iets van zegt, die kleren. Hij bedoelt eigenlijk: tenzij mensen die wél bevoegd zijn, hun zaak aanhangig komen maken. Mensen die allang gezien hebben hoe iedereen erbij loopt.
Ik probeer bij mezelf te raden naar de beweegredenen van het geagiteerde heerschap. Het kan bijna niet anders zijn, of hij heeft net de grootste moeite gehad om zijn volledige zwemclub ervan te overtuigen dat ze de badruimte niet met T-shirt of dergelijke mogen betreden. Het moet iets van die orde zijn dat de aders in zijn hals zichtbaar doet kloppen.
Ik los mijn verbale beet, slik nog wat woorden in en besluit dat dat wel zal volstaan voor een redelijk gevulde blog entry.
Meester van mijn universum
In de strijd om de interessantste nieuwsscoop, sneuvelt er wel eens een waarheid. Vooral nieuwsberichten uit reisbrochurelanden zijn een dankbare bron voor dubieuze primeurs van de orde Spectaculair, Doch Quasi Onverifieerbaar. Als er dus een Chinees in de media roept dat-ie een groene hond heeft gekloond, of een Indiër dat-ie kerkelijk getrouwd is met zijn keukenrobot, dan dienen we dat blijkbaar voor waar aan te nemen. Het staat immers in de krant. En zo'n Oosters persagentschap zal ook niet over 1 nacht ijs gaan. Toch?
Afgelopen week was het weer goed raak. Een vader beweerde dat zijn zoontje van 10 van huis was weggelopen en gaan shoppen met
10 000 dollar. Een paar dagen later kregen we dan te horen dat het kereltje terug was, het geld op en vaders vergevingsgezindheid groot. Dan denk ik: erg doorzichtige en gekunstelde poging om de verzekering op te lichten. Noem mij een misantroop.
De nieuwsgaring is tegenwoordig echter in nog wel wat meer bedjes ziek. Het bedje van de pseudowetenschap bijvoorbeeld. Elke enquête die namelijk door minstens 2 man en een paardenkop wordt ingevuld, vertegenwoordigt potentiële nieuwswaarde als onderzoeksresultaat. Het maakt dus niet uit wat u wilt verkondigen, het is vooral belangrijk dat u 2 interviewés vindt die uw mening zijn toegedaan. Bijgevolg verdrinken de sporadische serieuze wetenschappelijke onderzoeken in het inktbad van de ongefundeerde nepnieuwtjes.
Zoals daar zijn:
mannen die helpen in het huishouden, krijgen meer aandacht in bed. Ziezo, nu ik heb úw aandacht. Mocht dat nog niet zo zijn, ik kan het nog iets explicieter maken: poetsen betekent sex. Het is zo'n weetje waarvan men denkt: hey, dat ga ik thuis ook eens proberen. Als een kind dat net illusionist
Uri Geller op tv heeft gezien en van de weeromstuit de hele huisraad telepathisch probeert om te buigen. In beide gevallen is er jammer genoeg niemand in de buurt om u te behoeden voor de verloren moeite.
Bij wijze van uitsmijter kregen we afgelopen week dan ook nog eens te horen dat veel poetsproducten kankerverwekkend zijn wegens de grote hoeveelheid vrouwelijke hormonen. Voelt u hem ook al van mijlenver aankomen? Mocht een man het in zijn vege hoofd halen een keertje te dweilen, anticiperend op een tegenprestatie in bed, dan loopt hij het risico op borstontwikkeling en een falsetstem. Ik weet niet hoe uw bedleven eruitziet, maar huize Kalders zouden die verschijnselen een nefast effect hebben. Evenwel kan ik me voorstellen dat in bepaalde kringen er behoorlijk gekickt wordt op de Koen Crucke van vóór zijn dieet.
De vraag is echter: wat is waarheid? Ik heb besloten mij die vraag niet meer te stellen. Antwoorden zoeken duurt me te lang. Mijn nieuwe definitie van waarheid is: alles wat me goed uitkomt. Aldus leef ik in mijn eigen universum waar men van suiker niet dik wordt en dagelijks bier gezond is. En u?